Tsjernobyl: wie controleert de WHO?

Henk van der Keur
De auteur is medewerker van het documentatie- en onderzoekscentrum kernenergie, stichting Laka, te Amsterdam


Tsjernobyl: wie controleert de WHO?

Over de gevolgen van de ramp met een kernreactor in Tsjernobyl, 26 april 1986, is veel gezegd en geschreven. VN-organisaties verklaarden in 2005 dat de kernramp veel minder slachtoffers maakt dan aanvankelijk werd gedacht. Dermate weinig, dat de extra sterfte die het oplevert nauwelijks zichtbaar zal zijn in de statistieken. Dat was de boodschap van een rapport van onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA), een bureau dat het gebruik van kernenergie propageert. Niet lang daarna kwamen reacties vanuit de milieubeweging en andere NGO’s die met andere berekeningen kwamen, gebaseerd op andere modellen. De schattingen uit deze hoek varieerden van vele tienduizenden tot honderdduizenden slachtoffers als gevolg van de ramp in Tsjernobyl. En zo wordt eindeloos gespeculeerd over de aantallen doden en zieken die deze kernramp zal veroorzaken, terwijl er geen serieuze methode is ontwikkeld om dat überhaupt te kunnen meten.

Een recente Frans-Amerikaanse studie toont aan dat de radioactieve fall-out van de kernramp dieren veel erger heeft aangetast dan voorheen gedacht. Het uitvoerige onderzoek bewijst een significant verband tussen toenemende radioactiviteit en afname in het aantal soorten insecten en andere ongewervelde dieren in de omgeving van Tsjernobyl. De betrokken onderzoekers Anders Møller en Timothy Mousseau verklaarden verbaasd te zijn dat er geen andere studies over dit onderwerp waren te vinden. In een publicatie uit 2006 zeiden de wetenschappers al verrast te zijn dat er zo weinig onderzoek is gedaan naar de biologische en ecologische gevolgen van Tsjernobyl in het algemeen. Ze stelden zichzelf de vraag waarom er geen internationaal onderzoek van de grond is gekomen om de lange termijn effecten van Tsjernobyl op mensen en andere levende wezens te volgen. Dat is bijvoorbeeld wel het geval in Hiroshima en Nagasaki, waar sinds de kernexplosies - meer dan 60 jaar geleden - zorgvuldig toezicht wordt gehouden op de effecten daarvan. Het zou een uitdaging zijn geweest om hetzelfde te hebben gedaan na de grootste kernramp die zich in de wereldgeschiedenis heeft voorgedaan. De straling die bij de Tsjernobylramp vrijkwam was een veelvoud van de straling die vrijkwam bij de kernbommen op Hiroshima en Nagasaki. Møller en Mousseau stellen terecht dat wetenschappelijk onderzoek afhangt van zorgvuldige analyse van gegevens, waarin geen plaats is voor verhalende interpretaties op basis van onvolledig wetenschappelijk onderzoek, leidend tot anekdotisch ‘bewijs’. Het VN-rapport uit 2005 was inderdaad niet meer dan een narratieve vertolking van delen uit de wetenschappelijke literatuur.

Breder bezien lijkt de onwil van de WHO om te streven naar ondubbelzinnig bewijs veeleer een trend dan een eenmalige tekortkoming. Achttien jaar na de Golfoorlog (1991) is er nog altijd geen epidemiologisch onderzoek verricht naar de gezondheidseffecten van verarmd uranium (DU), ondanks een tienjarige reeks wetenschappelijke publicaties van het Pentagon schreeuwt om statistisch significante bewijzen. Het is dat Noorwegen recent heeft besloten om dergelijk onderzoek in Irak te laten uitvoeren, anders was het er wellicht nooit van gekomen. Evenzo woedt de discussie over gsm-straling al sinds het eerste mobieltje 20 jaar geleden op de markt verscheen. Maar nu tegenwoordig de helft van de wereldbevolking zo’n toestel bezit en alles draadloos wordt, is de nood aan een eenduidig antwoord des te groter. De WHO zegt dat de risico’s van gsm-gebruik niet zijn bewezen, al raadt zij overheden wel aan de totale hoeveelheid straling te beperken tot 42 volt per meter. Steeds meer wetenschappers en artsen zeggen echter dat de gevaren overduidelijk zijn. Ze vinden de veiligheidsnorm die de WHO aanraadt dan ook veel te coulant. Sommige landen hanteren inmiddels strengere normen dan de voorgeschreven WHO-norm en andere landen hebben dat in overweging.

Is de WHO eigenlijk wel een goede waakhond voor de gezondheid van de wereldburger? Als dat waar zou zijn, zou deze organisatie pleitbezorger zijn van empirisch wetenschappelijk onderzoek voor herziening van de wereldwijd gehanteerde, maar veelal verouderde biokinetische rekenmodellen van het Internationale Commissie voor Stralingsbescherming (ICRP). In plaats daarvan laat de WHO zich voor het karretje spannen van invloedrijke landen met grote economische belangen. Mobiele communicatie is een miljardenbusiness. En dat geldt evenzo voor kernenergie en industriële toepassingen van het kernafvalproduct DU. De gezondheid en het welzijn van mensen worden daaraan ondergeschikt gemaakt.

Over de gevolgen van de kernramp in Tsjernobyl zal nooit een reële schatting kunnen worden gemaakt want de noodzakelijke wetenschappelijke gegevens daarvoor ontbreken. De hele discussie is daarmee in feite een non-discussie, vergelijkbaar met de non-discussie over gezondheidseffecten van DU in munitie en de non-discussie over gsm-straling of de straling van umts-zendmasten. Het is niet een non-discussie omdat deze zaken irrelevant zijn. Integendeel. Het is een non-discussie door de onwil van overheden en invloedrijke bedrijven om maatschappelijk relevante onderzoeken te laten verrichten die noodzakelijk zijn om een zinvol debat te kunnen voeren over de risico’s van de radioactieve fall-out van een kernramp en over de risico’s van niet-ioniserende straling.