Victoria Koblenko 


Est dolendi modus, non est timendi

 

"Er is een grens aan het verdriet- maar geen grens aan de angst stond er in het Tsjernobil museum in Kiev. Ondanks dat we er 500 km vandaan woonden en mijn vader een van de liquidatoren was, gaat mijn eerste bewuste herinnering aan mijn verwantschap aan deze ramp terug naar de middelbare school. Ik rende in tranen naar de conrector met mijn pasgeverfde oranje haar omdat een klasgenoot mij een Tsjernobil kuiken noemde.
 
Toen de leden van de blauwe stoelen brigade in 1986 van de ramp hoorden stemden ze tegen een wetsvoorstel voor het uitbreiden van kernenergie in Nederland. Uit directe angst. Een macaber twintigjarig jubileum van de explosie in de kernreactor nr. 4 als herinnering lijkt geen reden meer tot paniek te zijn. Er zijn grotere beren en andere drogredenen op de weg gekomen, zoals Rusland die met de energietoevoer grapt. En omdat de huidige kerncentrales
inherent veilig schijnen te zijn, is er slechts een klein restprobleempje: kernafval. En dus, om onze afhankelijkheid van olie af te zweren storten we ons bij wijze van goede voorbeeld massaal op het makkelijkste en goedkoopste alternatief: kernenergie.
 
Oekraine noemen we ondertussen hardleers, omdat er zeventien nieuwe kerncentrales op   het bouwprogramma staan. Inderdaad heel gek dat een nieuwe staat liever geld wil investeren in onderwijs en zorg. Rusland lachen we uit omdat ze kernafval wil importeren tegen een bijtend tarief. Ook heel gek dat een land zo groot kennelijk plek heeft om die afval dusdanig veilig op te bergen dat in geval van natuurramp of aanslag geen duizenden slachtoffers vallen. Het afval mag best blijven waar het is, hoor. In Zeeland. Maar dan graag hard bidden dat er geen tweede V. van der G. opstaat die ervoor gaat zorgen dat Nederland voor de komende 500 jaar onbewoonbaar wordt verklaard. Onwaarschijnlijk dat een beschaafd land als Nederland kernenergie dreigt te verkiezen boven duurzame energie alternatieven. Is dat de Hollandse Zuunigheid?
 
Overdrijf ik nu niet een beetje? Natuurlijk! Dat krijg je als je de quizmaster bent van de Tserno Inferno quiz op Radio 1. De eer valt me toe om de verantwoordelijke politici op hun kernkennis te testen. En ik kan u vertellen dat de meeste voor schande zijn behoed door matspraktijken! Behalve Diederik Samsom die binnen PvdA kernenergie als minst aantrekkelijk alternatief probeert af te doen. Hij kan het weten als kernfysicus. EN: hij is er geweest. Evenals ik. De mistroostige, doodstille 30 km zone. Prachtig rood bos afgewisseld met leegstaande huizen, waar veel nog hetzelfde is gebleven als 20 jaar geleden. Een crèche, waar de verf van de muren krult, maar de bedjes, knuffels en schriftjes zijn blijven liggen. Een horizon vol heli's, brandweerauto's en ander radioactief tuig. Een dorp van 47000 flats, een verroeste kermis en een theater vol sovjet relikwieën, maar geen enkele vogel. Hier is de grens van angst…

april 2006


victoriakoblenko.nl

Ina Bouman

T H U I S K O M S T

De woonwijk is overwoekerd door onkruid, hoogopschietend struikgewas en jonge bomen. Daartussen rijzen de in het zonlicht stralendwitte, verlaten flatgebouwen op als monumenten tegen een strak blauwe hemel. Een scheefstaande lantaarnpaal markeert een straatweg.
Ze staat voor een slagboom met een loshangend verbodsbord. Niets weerhoudt haar ervan het verboden gebied te betreden, maar toch aarzelt ze want ze had zich voorbereid op een hindernis, een strijd met geroest prikkeldraad, waardoor haar kleren zouden scheuren en ze haar huid zou verwonden. Ze verwachtte duisternis en grauwheid. Jarenlang heeft ze gedroomd van die nachtmerrie. Maar wat ze nu ziet lijkt een paradijs, hoewel dodelijk gif de grond, het water en de lucht de komende honderden jaren nog zal blijven verzieken tot in de toppen van de dappere bomen.
Ze passeert de slagboom en loopt de verwaarloosde straatweg op. Bij de lantaarnpaal begeeft ze zich de wildernis in. Het kost moeite om zich te oriënteren maar uiteindelijk ontdekt ze het flatgebouw waaruit ze bijna twintig jaar geleden met haar gezin overhaast moest vertrekken.
Het hoge gebouw kijkt met holle ogen op haar neer. De ingang is dichtgetimmerd maar het hout is zo vermolmd dat ze met een stuk ijzer een plank kan loswrikken. De hal ruikt naar vocht en verrotting. Langzaam loopt ze de trap op, zonder om zich heen te kijken want ze kent de weg door het mistroostig trapgat; de lift weigerde twee jaar na hun komst al dienst en werd nooit gerepareerd. Op de vijfde blijft ze staan. De atmosfeer grijpt haar naar de keel. Ze kucht langdurig, veegt het zweet van haar voorhoofd en probeert haar ademhaling tot rust te brengen. 'Niet veel van mijn patiënten halen de achtenzestig,' verzekerde de dokter haar vorige week nog. Dankbaar moet ze zijn. Hij schreef haar bedrust voor en gezond eten. Misschien had ze dan nog wat tijd van leven. Ze lacht een beetje terwijl ze langzaam doorloopt naar de zevende. De open deuren maken het verwoestte hart van de woningen zichtbaar. Het eerste wat ze ziet in hun eigen flat is de stoel van haar man. Ze valt op haar knieën, gromt en jankt tegelijk terwijl ze haar gezicht in de vochtige, stinkende zitting drukt. Vladimir, hij werkte bij de Centrale ten tijde van de ramp maar hij moest na de evacuatie meteen weer terug om te helpen de rotzooi op te ruimen in 'gegarandeerd veilige' kleding. Doodziek werd ie, kreeg niets uitbetaald. Ja, pas twee maanden voor hij doodging aan een kanker die hem van binnen had leeggevroten.
Met moeite staat ze op, loopt de flat door. Die eerste twee dagen en nachten na de explosie werden ze met honderdduizenden weggejaagd uit hun woningen en ondergebracht in gebieden die als veilig werden gekenmerkt. De meesten van hen kwamen, net als zij, in Kiev terecht, honderd kilometer van het rampgebied rond Tsjernobyl. Alsof het daar echt veilig was!
De spiegel in het gangetje is uitgeslagen door het vocht en toont niet meer dan een bleke schim van haar gezicht. Ze haat het zonlicht dat medogenloos de afbraak in de flat belicht en extra stank genereert uit het afval.
Alles moesten ze achterlaten, maar veel mensen gingen terug om in de nacht iets van hun eigendommen op te halen. Net als Vladimir, die kwam thuis met een zak vol waardeloze dingen en zijn vistuig. Hij zou dat nooit meer kunnen gebruiken. De plunderaars haddden hun slag al geslagen. Die verkochten hun besmette buit onderhands aan argeloze klanten.
Ze vindt nog wat serviesgoed in de keuken en een smerige pan. In een hoek van het slaapkamertje van de kinderen ligt een berg kleren, papieren, onherkenbare dingen tussen dierbare resten uit haar leven. Ze knielt neer, herkent tussen de troep het konijn van Marisja, pakt het en klemt het beschimmelde troeteldier tegen haar borst. Marisja overleed drie jaar geleden aan schildklierkanker. Nu ontdekt ze ook een speelgoedautootje van de kleine Ivan, die al eerder overleed, aan leukemie, een jaar voor zijn vader.
De kilte in deze kleine kamer dringt door haar kleren heen. Ze loopt terug naar wat de woonkamer was en zet haar schatten op de vensterbank om te drogen in de zon.
Ze voelt niets, terwijl tranen langs haar gezicht stromen en haar hart als een steen in haar lichaam draait. Ze loopt weg, de deur uit, de trappen af. Op de derde gaat ze als een automaat de flat van vrienden binnen. De flat is leeg, het oorspronkelijk lilakleurig behang heeft losgelaten en hangt in vale flarden van de muur. Het zonlicht tovert grillige schaduwen die schijnen te bewegen, alsof er leven is, denkt ze. Ze gaat verder naar beneden. 
Buiten is het doodstil,  alles is groen om haar heen. De paddestoelen hebben zich aangepast en groeien gewoon door, alleen de kleur is anders. Het is het geluid van vogels dat ze mist, denkt ze. Maar toch het licht, de ruimte, de onwaarschijnlijke rust…Ze haalt diep adem, kijkt om zich heen, herinneringen dringen zich op, eerst vaag, dan steeds scherper. Nu durft ze de beelden toe te laten van haar spelende kinderen, ze hoort hun stemmen, hun lach. Even maar.
Dan is alles weer stil om haar heen.
Ze loopt terug naar de slagboom. Haastig, want de man die ze heeft overgehaald om haar hierheen te brengen zal haar straks weer ophalen en terugrijden naar haar kale, donkere huurkamer in Kiev. Ook daar mist ze het geluid van de vogels.
Wil ze wel terug? Ze hoopt dat de man haar is vergeten, maar ze hoort het geluid van een naderende auto.
De man stapt uit en roept haar.
Ze beweegt niet.
'Kom, we gaan.'
'Ik blijf,' hoort ze zichzelf zeggen. ' Laat me maar.' 
'Morgen dan?'
Ze schudt haar hoofd. 'Het is goed zo.'

mei 2005

 77_3__22
 dit verhaal is geinspireerd
op de foto's van Sema Berikovic

Thijs de la Court

Radioactieve spinazie
 

Vakantie in april. De bossen bij het Drentse dorp Zorgvliet. De nog winterse hei, veenpluis wit waaiend in een donkere achtergrond. Een radioactieve wolk is losgebarsten ergens in de Sovjet Unie. Mijn vrouw en ik beleven het intens. Ze is net zwanger. Op de radio horen we dat je beter geen spinazie kan eten. Het is dus echt. Er valt iets uit de lucht, onzichtbaar, zonder geur en het komt in je voedsel. Net zwanger zijn geeft je dan helemaal een naargeestig gevoel. En nu nog, als als het woord Tsjernobyl langskomt, dan weten we het radiobericht, het landschap en het moment nog als de dag van gisteren.
De barakken van het RIVM. Onweerstaanbaar nieuwsgierig wil ik weten hoeveel straling zich verspreid. Bij de World Information Service on Energy (WISE), waar ik toen werkte, ratelt de telex. Maar het is nooit genoeg informatie. Op naar de barakken van het RIVM, de plek waar alle informatie in Nederland samenkomt. Officiële hekken, achterdochtige portiers die naar een paspoort vragen, maar gastvrije wetenschappers die je een bureau en stoel geven. Stapels kopieën van ambassades vol getallen en kaarten met projecties van luchtstromingen. Becquerel, röntgen, rad zijn termen die al rap routine lijken te worden. Dagen hang ik daar rond zonder dat iemand mij een strobreed in de weg legt. Informatie uit de eerste hand. Wat doe je ermee?
Boeken uit de kast. Lezen over straling, radioactiviteit. Alle getallen een plek geven in de theorieën van epidemiologen en stralingsdeskundigen. Bellen met de wetenschappers om helderheid. En elke avond televisie kijken, naar gedetailleerde weerberichten en fall-out cijfers. Er was geen internet. Bij WISE worden we overspoeld met gegevens. Natuurlijk over de ramp zelf, het verloop ervan en de schade in de regio. Maar ook over de fall-out, de lange termijn effecten en het toenemend verzet tegen kernenergie. Op naar Brussel, praten met de andere organisaties uit Europa. Iedereen is er.
De antikernenergiegroepen uit heel Europa, kritische wetenschappers, Greenpeace, Europese politici. We verwijten onszelf dat we geen draaiboek hebben, dat we het publiek slecht informeren, dat we de sussende informatie vanuit de overheden niet tegen kunnen houden. Ik herinner me die onmacht, dat duffe boekje vanuit de nucleaire industrie.
De zomer komt. Mensen bellen WISE op. Ze begrijpen er echt niks van. “Kunnen we veilig naar Zweden op vakantie”? Daar gaat het niet om! Een bezoekje doet je geen kwaad. Alleen al de reis per auto levert je groter risico op kanker op door benzeen en andere troep die boven de snelweg hangt. Waar gaat het dan om? Lange termijn effecten, mensen ver weg, kinderen die kanker krijgen, die niet meer naar hun eigen grond terugkomen. Risicobeleving in abstractie. Onzichtbare zaken die voor de vakantiegangers irrelevant lijken.
De nucleaire industrie kreeg een enorme opdoffer en schuilt in zorgvuldige rapportages, onleesbaar voor de buitenwereld. We rekenen rustig door en komen tot enorme aantallen mensen die op termijn zullen overlijden door Tsjernobyl en haar fall-out. De beelden zakken naar de achtergrond. Spinazie kun je weer rustig eten. Onvergetelijk moment wordt hier geschiedenis.

2003

Stephan van de Sluys
vier gedichten  

Brief aan Josef Vissarionovich 
gevreesd en geliefd overzag je
vanaf betonnen sokkels en banieren als vader, voorbeeld en god heerste je vanuit eenzame hoogte voor altijd overal aanwezig
de hamer creëerde naar jouw beeld
het land dat ruw ontwaakte door de kanonnen van de Aurora door de roep om vrijheid van hen die zich schaarden achter idealen
paranoia vervormde je grilligheid
verkilde je hart en vervreemde je van de arbeiders en strijders die je verstootte als vijand van het volk - de sikkel tot zeis geslepen
nu je na vijftig jaar nog rondwaart
in nachten dreigend en vol van beloften wordt je gemist, gehaat en bewonderd om de droom die nooit werkelijk werd en ik voel alleen de oostenwind  

Novosibirskaja
haar ogen weerspiegelen een vals plat
met aan weerszijden kolossen haaks op alles onder het splijtend geknars van een tram vervaagt de Krasny Prospekt in grijstinten
haar ogen reflecteren haar jaren van ooit
vervormd door rode lippen en herinneringen met hoop en dromen als mooiste vorm van geluk - maar de stad heeft ze nog nooit verlaten
haar ogen typeren haar moederland en volk
herkenbaar van vorm, rood omrand en bloeddoorlopen helder en klinkend hebben haar glans verneveld schijnbaar lachend en trots kijken ze de wereld in
haar ogen haken mijn blik en bekruipen mijn hart
ik heb lang gezocht naar een horizon van triestheid het gevoel van verloren hebben, verloren zijn reddeloos dobberen in een zee zonder kust
en pas nu is de cirkel rond

Terug naar Tsjernobyl
onderterugweg naar haar betonnen kaartenhuis
beslaan terneergeslagen ogen de ramen het landschap botst onder haar vandaan verzacht door volksmuziek op gedempte toon
verborgen achter jaren onkruid en ongeplukt fruit
is daar de deur als deksel dichtgetimmerd een breekijzer opent de cocon van rustend stof de holte geeft haar de vertrouwde echo terug
als ze bij slingerlicht de trap en haar voordeur vindt
overwint ze de drempel van waar ooit warmte was maar nu door een hellestorm lijkt leeggezogen en zo is zij
ze vindt niet de foto van toen, van hem, van samen
ze vindt niet de weg terug naar haar wereld ze zal gedroomd leven in nachten zonder slaap als ze wacht op haar tijd - in een voortslepend afscheid   
 
Lucifers Kookkunst 
diep gebogen, het aftellen begon
glurend op het cruciale moment naar de noordelijke horizon licht dat zijn weerga niet kent
stof stormt over het cordon
zakdoeken ademen ongewis vagevuur verduistert de ochtendzon het galmt dat gevaar geweken is
experimenten voor het moederland
de Geigerteller knettert in mijn hand ik voel het in vlakke grijze ogen
het kansloze schepsel in haar schoot
de beproeving was veel te groot
ze hebben haar jarenlang belogen

2003

Jerphaas Donner

Een kopje thee

 In de zomer van 1978 ging ik voor het eerst alleen op vakantie. Samen met Fokko, met wie ik nog samen in de wieg gelegen had, liep ik een tocht langs de Normandische kust. Het was een prachtige route langs de ‘kop van Normandie’. Voortdurend zag je kleine baaitjes vanuit het smalle douanepad en ’s avonds zochten we een paar vierkante meter gras langs de route om ons kamp op te slaan. Dan zaten we te mijmeren voor onze tent, uitkijkend over de oceaan en onze eigen toekomst. We hadden geen benul van het feit dat onze route, ondanks alle prachtige natuur, exact om de opwerkingsfabriek van La Hague, hét nucleaire prestigeobject van de Franse regering, liep.
Het weer was erg wisselend met regenbuien en voortdrijvende wolken. En irritaties waren er voldoende. Zo móest Fokko elke dag eerst een sjekkie roken voor hij aanspreekbaar was en discussieerden we of de sjek wel of niet uit de gezamenlijke pot betaald moest worden. En natuurlijk was het elke avond dat we wild kampeerden weer de vraag wie er water moest halen. Na drie dagen klaarde het weer op en bereikten we de Cap de la Hague.
Bij het ronden van de kaap kwamen we na een tijdje een vriendelijke man in uniform tegen. Hij stond er duidelijk op wacht en tuurde over de zee. We zetten ons tentje op bij een rots en voelden ons wel veilig met bewaking in de buurt. Hij keek wel wat vreemd maar liet ons verder ongemoeid en vertrok. Weer was het de vraag, wie haalt er water. In geen velden of wegen was een huis te zien, het was warm en om ons heen niets dan kale rotsen. Uit één van de rotsen kwam een klein straaltje water. We keken elkaar aan en besloten dat te gebruiken om een kopje thee van te zetten. Het was wel spannend want water uit de natuur moest je nooit drinken ookal kookte je het nog zo lang. Maar ja we hadden dorst en je moest toch wat. De thee smaakte ons goed en we zijn er niet ziek van geworden. Ten minste nog niet, denk ik al jaren. Toen we de volgende dag onze wandeling vervolgden en ik even naar de top van de heuvel liep die ons het uitzicht op het achterland onthield zag ik tot mijn grote schrik een groot industriëel complex. Ik realiseerde me ineens dat het de opwerkingsfabriek was. Ernaast lag een groot bassin gevuld met water. Ik dacht aan de thee het bassin en het stroompje uit de rotsen…..
Jaren later, door Harrisburg, Tsjernobyl en Sellafield realiseerde ik me welke gevaren kernenergie met zich mee kon brengen. Altijd zal ik de gedachte aan dat kopje thee en de gevolgen die het misschien ooit zal hebben met me mee dragen.

2003

Diana Ozon
Column 26 april 2003en twee gedichten 1986 
 

Becquerelmeter 

"Becquerelmeter", is het eerste woord waaraan ik denk bij de zeventienjarige herdenking van Tsjernobyl. Mijn taal is erdoor verrijkt en ikzelf ook. In mij zit sinds 1986 Cesium-137. Het is een stukje van mij geworden dat bewijst dat ik Europeaan ben. Zoals dat ook een geografisch identificatiekenmerk was bij een onbekende dode in Australië. Niet dat ik mij graag Europeaan wil voelen maar Tjernobyl heeft dat fysiek laten vastleggen. Ineens werd ik bewuste bewoner van een streek op de grenzenloze Aarde. Voor de wind van het weerkaartje woon ik niet ver weg. Het waaide met de wolken en streek neer op akkers. Oogsten werden doorgedraaid en veestapels vernietigd. Rendieren in Scandinavië, Spinazie in Italië, paddestoelen in Duitsland maar ook in Nederland, in België, Groot-Brittannië, in West-, Noord-, Zuid- en in het Oost-Europa. Overal vloeide de melk de riolen in en werden groenten als chemisch afval naar verwerkingsfabrieken gebracht. Zo degelijk ging het althans in mijn herinnering maar ook werd er gesjoemeld. Zo zou volgens kwade tongen besmette spinazie stiekem in de pasta verde zijn verwerkt. De meest oplettende consumenten liepen met stralingsmeters, geigertellers of bequerelmeters langs de supermarktschappen. De militaire dumphandels waren in een flits uitverkocht. Zelfs gasmaskers vonden ineens gretig aftrek. Een kortstondige hysterie heerste. Ik keek achter gesloten ruiten naar buiten. De lucht was onbetrouwbaar. De tocht streek tussen de sponningen door langs mijn gezicht. Waarschijnlijk herinner ik mij dat omdat er welhaast tranen over mijn wangen moeten hebben gelopen. Meer dan ooit voelde ik door die onstopbare windvlaag de schijnveiligheid van een huis. Het maar moeten vertrouwen dat het goed zit met eerste behoeften: licht, lucht, water, eten en een dak boven het hoofd. Ik had het allemaal en toch zat het niet goed. En ik wist, nu dit gebeurd was, dat het ook nooit meer goed zou komen. Dat waar altijd voor was gewaarschuwd was gebeurd. Ik ben een kind van het atoomtijdperk en de Koude Oorlog en verwachtte altijd aan de horizon op zekere dag die beruchte paddestoel. Nu was de bom gebarsten en er bleek niets te zien en niks te horen. Het waren grauwe dagen en de vogels floten vanwege de lente. Mijn moeder huilde met mij aan de telefoon: "en dat in vredestijd". Ze zei dat ze alle vogels naar binnen zou willen roepen om te wachten tot het ergste voorbij was. Ik zag voor mij hoe ze samen met de merels, mussen, mezen, het roodborstje en de reiger en een stel brutale kauwtjes in de huiskamer met angstige ogen het journaal zouden volgen. Ik op mijn beurt zou haar onder mijn vleugels willen nemen en troosten. Ik had gewild dat zij en de vogels en iedereen en alles zo klein waren dat ik ze kon beschermen tegen alles. Maar ik voelde mij zelf zo nietig en machteloos tegenover deze kernramp. Meer dan ooit zijn de microkosmos van het atoom en de macrokosmos van de Aarde duidelijk één geheel. De mensen zijn net als de atomen stof in de eeuwigheid. We zijn tot goede dingen in staat en tot slechte. 
Mij hebben deze overpeinzingen een paar nare gedichten opgeleverd. Gedichten die niet mooi zijn, geen hoop geven maar rampzalig aflopen. Verbitterde gedichten. Tsjernobyl heeft op alles invloed gehad zelfs op de poëzie.


Indien mijn een bad overloopt loop ik niet eerst naar beneden Ik probeer meteen te dweilen
Helaas komen de buren vanzelf
Ze bieden aan te helpen Ze mogen niet eens kijken
Ik doe het zelf in schaamte
ruim op al raak ik doorweekt Erna zie ik wel hoe ik leef
Ik en mijn domme ijver
De buren hadden notabene een waterstofzuiger
Het plafond kwam op ze neer
Ikzelf zit met de brokken heb hier geen leven meer    
( 1986)   

Industriële wonderen
zoals kerncentrales zijn krachtige dingen
maar niet machtig
tegen tegenwerking van de Aarde zelf
De natuur valt aan
met het grootste leger en is overal aanwezig
Zij trekt geen grenzen
tussen dieren en mensen klassen of grassen
Ze bijt in de bodem
waait met de wolken vloeit met de golven
De Aarde gaat niet dood
leeft en blijft stralend onuitblusbaar en heet
Er loopt alleen niets rond
op de kale planeet De krijs van een vogel
wordt er niet gehoord
Vertel elkaar vandaag nog wie morgen wordt vermoord 
   
( 4 mei 1986)

Natasha Gerson

Kinderkennis

Toen ik de leeftijd had van mijn zoon Emile,  zeven, en we nog leefden in het tijdperk dat de gevaren van straling nog niet waren weggerelativeerd door gelegenheidsconsortia van wetenschappers en realpolitici, zorgde het collectief bewustzijn soms nog voor wonderlijke uitwassen. Eén van die uitwassen was gebruik van het gegeven straling in de amusementscultuur. De eerste keer dat ik dus het woord ´gammastraling´ hoorde, was in de wekelijkse inleiding van de kinderhorrorserie ´The Incredible Hulk´. Dr David Banner was tijdens zijn werk in contact gekomen met een te hoge dosis aan ongespecificeerde gammastralen, die ervoor zorgden dat hij, wanneer blootgesteld was aan extreme stress, plotseling witte oplichtende pupillen kreeg, en vervolgens uit zijn geruite buttondownshirt explodeerde in een massa groene spieren, om boeven of opdringerige journalisten met een boogje van zich af te werpen.
Emile, anno 2001, is, hoewel hij ongetwijfeld net zo van de Hulkserie zou genieten als  wij destijds, wel wijzer.
Ook weet hij best veel over bijvoorbeeld kernproeven ( waarschijnlijk door een informatief kinderprogramma). Hij weet dat je straling niet ziet, niet direkt voelt, niet ruikt, maar dat die er wel kan zijn, en bijna overal invloed op kan uitoefenen, ´als een spook´. Met de ´overdosis gammastraling´ zouden ze in de Hulk tegenwoordig niet meer wegkomen. Een ander informatief kinderprogramma heeft Emile al gemeld dat met gammastralen ´maar die ongevaarlijk zijn, hoor´ de appeltjes worden bestraald zodat ze langer goed blijven.
Sinds 1990 zijn kinderen uit de omgeving van Tjernobyl een vertrouwd lentebeeld in ons dorpje. Het zijn kinderen van boeren wiens land besmet is geraakt bij de ramp. Ze komen periodiek aansterken op boerderijen in de omgeving als onderdeel van een internationaal solidariteitsverband van agrariërs.  Emile weet dus dat je niet groen, en reusachtig groot wordt van straling, maar veelal juist wit blijft, en heel erg klein.
De familie van Jelena, een van de logéetjes, kreeg drie jaar lang te horen dat er, met geld van de Europese gemeenschap, binnenkort een speciale arts voor ze zou komen. Ze hadden er al hun hoop op gevestigd voor de groeiproblemen van Jelena, die met haar negen-en-een-half  jaar is en één meter zeven is, en elf kilo weegt, en voor de vergroeiingen, aan knieën en schouders, van haar drie jaar jongere broertje. Er kwam echter uiteindelijk een Nederlandse psycholoog, die een onderzoek deed naar posttraumatische stress. Hij concludeerde dat die er was, waarna alle problemen in Jelena´s gebied daaraan werden geweten.
De kinderen van na 1986 hebben een ander beeld van straling dan zij die opgroeiden met de beelden van Hiroshima op hun netvlies, zoals de huidige beleidsmakers, en ikzelf.
Plotselinge, totale annihilatie door een bom is een geen prettig vooruitzicht, maar had altijd iets dermate absoluuts, definitiefs en bijna absurd totaals dat de daadwerkelijke angst beperkt bleef. Sinds de ramp in Tjernobyl is het beeld van stralingsimpact genuanceerd. Soms weggenuanceerd, om de realiteit dragelijk te maken. De kinderen van na 1986 hebben het sluipende, het oneindige, het weggedrukte, het onbesprekelijke haast, geïnternaliseerd tot feit. Ze groeien op met de wetenschap dat sommige fouten onherstelbaar zijn.

2001

Niek Lopes Cardozo

WATT verslaving
 

Ik ben verslaafd, u bent verslaafd, wij zijn verslaafd. Aan energie. Gebruikten wij daadwerkelijk slaven om de energie bijeen te trappen voor onze welvaart, dan had ieder van ons er 100 in dienst, 24 uur per dag, in 3 ploegen. Dus 400 per huishouden.Wij houden natuurlijk geen slaven. Wij zijn de Grieken en Romeinen voorbij. Wij zijn erger. Ons cultureel erfgoed zal de mensheid veel langer bezighouden.

Wat accepteren wij om onze energie-honger te stillen? Volksstammen die hun leven in mijnen slijten, een landschap dat zucht onder een bedekking met windmolens, een land dat wordt afgegraven voor de bruinkoolwinning, natuurgebieden geofferd aan gasboringen, olietankers die vergaan voor de kust, brandende oliespuiters, smeulende kolenvelden, Tsjernobyl, rottende stuwmeren, klimaatverandering, overstromingen, natuurgeweld, oorlogen. Voor onze energie accepteren we alles.

Wij gebruiken 5 kWh per uur, per persoon, 24 uur per dag. Precies wat nodig is om een redelijk leven te leiden, vinden we. De Amerikanen en Canadezen gebruiken 2 of 3 keer zoveel. Spilzieke lui. In China en India gebruiken ze veel minder. In zulke primitieve omstandigheden willen wij niet leven. Zij ook niet overigens. Ze zijn dan ook druk bezig meer energie te gaan gebruiken. Geef ze eens ongelijk. Om dat te bereiken verbranden ze kolen, in slechte centrales
die veel CO2 en roet de atmosfeer in pompen. Slecht voor ons. Gelukkig zullen ze snel goedkope kerncentrales gaan bouwen.

De energiemarkt liberaliseert. Hypocrisie voert de boventoon. De Nederlander wil geen kerncentrales, maar vindt het prima dat goedkope atoomstroom wordt ingekocht in Frankrijk. Mooie, moderne Nederlandse gascentrales liggen stil omdat oude Duitse bruinkoolcentrales een paar centen goedkoper produceren. Smeriger kan haast niet. Leve het markt-mechanisme. Het wordt nog erger. Oost Europa ziet een markt en gaat massaal kerncentrales bouwen - ook van het goedkope type - om CO2-vrije stroom te leveren aan westerse landen die de Kyoto doelstellingen proberen te halen.

Is er hoop? Jazeker. Zon en wind en fusie. Allemaal hebben ze 50 jaar nodig om op krachten te komen. Wist u dat een off-shore windpark van 30 bij 30 km  -een miljarden-investering- 0.5% van de energiebehoefte levert? Dat de Nederlandse doelstelling voor 2020 voor zonne-energie ook 0.5% van de energiebehoefte is? Dat de grootste bijdrage aan de Nederlandse duurzame energie wordt geleverd door de vuilverbranding? Dat al deze ambitieuze programma's veel minder duurzame energie bijmaken dan de energievraag groeit, dat we dus achteruit boeren? En toch moeten we dit pad blijven volgen, want we kunnen niet anders. Maar reken op 50 jaar hard werken voor het 10% niveau bereikt is. Er is meer nodig.

Hoe zit het ondertussen met de eeuwige belofte van de moderne tijd, fusie? Energie uit water: onbeperkt, schoon, geen radioactief afval, er kan niets aan ontploffen en militairen hebben er niets aan. Groen en duurzaam. De stand van de wetenschap is: de tekeningen voor een proefreactor liggen al 10 jaar klaar. De kosten voor dit project, ca 800 miljoen gulden per jaar die wereldwijd moeten worden opgebracht, zijn een politiek struikelblok. Veel geld? Nederland alleen steekt honderden miljoenen per jaar in ontwikkeling van duurzame energie. Een gebalanceerde mix van fusie, zon en wind biedt wel degelijk een toekomstperspectief, voor Nederland en voor de wereld.

Ik sta met een stand over fusie-energie op de klimaatconferentie in Den Haag. Er waait een journaliste naar binnen. 'Are you nuclear' ? Uitgelegd dat 'fusie' de versmelting van waterstofkernen betreft. Is dat 'nuclear'? Met kernsplijting heeft het noch qua principe, noch qua techniek, noch qua intrinsieke gevaren, noch qua afvalprobleem iets te maken.
Nochtans was het: 'No, I don't want nuclear'. Dan maar liever CO2 en slechte kerncentrales in landen waarvan het technisch een democratische gehalte te wensen over laat. Opdat wij aan onze verslaving kunnen toegeven door daar goedkope energie te kopen.

2001

René Appel

ZIEK

Het was in maart 1995. Ik had al een hele tijd het gevoel alsof ik niet meer in mijn eigen lichaam woonde. Niet alleen het omhulsel, maar ook de spieren, de botten, de organen leken mij niet meer toe te behoren. Dat creëerde een vreemde afstand tot de werkelijkheid: je bent er wel, maar toch ook weer niet. Daarbij had ik altijd pijn in mijn rug, en was ik dodelijk vermoeid. Alles was me teveel.’s Winters krijg ik altijd een bleke huidskleur, maar deze keer zag ik er wel erg spookachtig wit uit. Ik kocht zelfs een hoogtezon waar ik elke avond een minuut of tien voor ging zitten, mijn ogen afgedekt met een raar brilletje met ondoorzichtige glaasjes. Ik kreeg iets meer kleur, maar de uiterlijke verbetering had geen innerlijke gevolgen.
     Dokteren, onderzoek, een biopt dat uit mijn buik werd genomen, in dat mooie kleine Prinsengrachtziekenhuis. Uiteindelijk deelde de arts mij het ‘vonnis’ mee, want een andere benaming is er niet: een kwaadaardige tumor, vermoedelijk een geval non-Hodgkin, dat wil zeggen een bepaalde vorm van kanker van de lymfeklier. Als je zoiets hoort, denk je onmiddellijk dat je dood zult gaan en dat ook nog op korte termijn. De associatie kanker – dood is ijzersterk. Ik praatte erover met Rob, een vriend van me die een aantal jaren daarvoor non-Hodgkin had gehad en daarvan was hersteld. Zijn ervaring was identiek aan die van mij. ‘Ja,’zei Rob, ‘je begint je eigen begrafenis te plannen, wie er moeten spreken, welke muziek er gedraaid wordt. En verdomme, al je vrienden zijn er, fantastische muziek, en je bent er zelf niet meer bij!’ ( Toen kon hij er nog om lachen. Korte tijd later kwam zijn non-Hodgkin terug, en nu wel dodelijk. Maar misschien bleef hij ook wel tot het laatst toe lachen, want zo was hij.).
     Uiteindelijk bleek er heel wat mogelijk met chemotherapieën. Als je eenmaal door die eerste verschrikkelijke fase heen bent, waarin Magere Hein je elke dag toegrijnst en je het gevoel hebt dat je je vrouw en je kinderen op een laaghartige wijze in de steek laat, krijg je weer een nieuw uitzicht. Dat gaat langzaam, omdat je lichaam zwaar is aangetast, en dat laat de geest ook niet onberoerd. Dan wil je ook weten waardoor het komt, misschien wel om jezelf als het ware vrij
te pleiten, want schuldgevoel ligt altijd op de loer, daarvoor hoef je niet eens in de ‘oren-maffia’ te geloven. Wat echt de oorzaak is, weten we niet, zeggen dan de artsen. Soms is het erfelijk. Nee, in mijn familie geen non-Hodgkin, niet dat ik weet, tenminste. ‘En mensen die bloot hebben gestaan aan radio-actieve straling,’ vervolgde de arts. ‘In de buurt van Tsjernobyl zijn bijvoorbeeld veel gevallen van non-Hodgkin’.

2001

Aukje Holtrop

Tsjernobyl.

Zoals de dagen van de week elk hun eigen kleur hebben, blauw voor de maandag, geel voor vrijdag, wit voor zondag, zo hebben sommige plaatsnamen een kleur. Parijs is roze, New York donkergroen en Tsjernobyl is grijs. Grauwgrijs. En zoals de kleuren voor dagen en steden hoogst subjectief zijn en iemand anders de maandag met evenveel recht bruin kan vinden en New York appelgroen, zo unaniem is Tsjernobyl het internationale voorbeeld van een grauwe, fletse plaats geworden. Levenloos, kaal.
Voór 1986 onbekend, en vanaf april van dat jaar een begrip geworden in de wereld. Meer dan zomaar een begrip, Tsjernobyl is een symbool geworden, een argument voor tegenstanders van kernenergie, een bewijs van de krakkemikkigheid van het oude sovjet-systeem. Tsjernobyl werd gebruikt en misbruikt, de tegenstanders weten nu helemaal zeker dat kerncentrales niet deugen en de voorstanders van kernenergie beweren met de hand op hun hart dat zulke explosies als in Tsjernobyl vermeden kunnen worden, en door hen ook zeker vermeden zullen worden. Als elk symbool werd Tsjernobyl na een paar jaar krachteloos. Zoiets als het kruis van Christus, de enorme slachtingen in de Eerste Wereldoorlog en de verschillende watersnoden waaronder Nederland al eeuwenlang te lijden heeft. Allemaal heel erg, de stem wordt gedempt en ernstig, er wordt niet bij gelachen, maar de meeste mensen doet het na al die jaren niets meer. Te ver weg, te lang geleden. Te erg om je een voorstelling bij te maken, en als je maar vaak genoeg een foto of een andersoortige afbeelding van zo’n ramp ziet, verliest ook het beeld zijn kracht.
Dat is onvermijdelijk, en het is iets om je voor te schamen, al zou ik liegen als ik zei dat ik regelmatig met deernis in m’n hart aan die arme mensen, dieren en vooral kinderen denk die buiten hun schuld de prijs moesten en nog steeds moeten betalen voor de ondeugdelijke manieren waarop de vooruitgang in de wereld wordt nagestreefd.
Een oproep als deze, van de stichting Cultural Express, herinnert je er even aan dat Tsjernobyl nog steeds bestaat. Het is niet alleen een symbool, het is ook een groep mensen die te lijden heeft. Het is ook een kaal landschap waar niemand voor z’n plezier met vakantie naar toe zou willen. Het is een stad die kennelijk ‘bitterkruid’ betekent, en dus bij de stichting al een morbide betekenis meekreeg. Het heeft de pech in een arm en verwaarloosd en niet erg prettig geregeerd land te liggen.
En wij kunnen er heel weinig aan doen. Een beetje geld geven, er even over nadenken, blij zijn dat erin ons land nog niets met kernenergie ontploft is en je vervolgens generen dat je er zulke egoistische gedachten op nahoudt. Verder valt er weinig te doen. Dat is het grote nadeel van grauwgrijs: het is zo’n onopvallende, zo’n dooiige kleur.
Je kunt er zo makkelijk overheen kijken

2001